’s Ochtends vroeg op 4 mei landde mijn vliegtuig in Port Blair. Als enige blanke werd ik uit de stroom reizigers gepikt en meegenomen naar een kamertje met daarin 2 medische officials die me wat vragen wilden stellen. De overheid is nogal panisch over alles wat de Mexicaanse griep betreft, niet geheel onterecht hier in India. Een van de officials keek verschrikkelijke serieus, genoeg reden dus voor mij om even zijn allertheid te testen.
Toen hij me vroeg waar ik vandaan kwam vertelde ik met een stalen gezicht dat ik de dag daarvoor, na een maand reizen, vanuit Mexico City naar Calcutta was gekomen en vandaag dus naar Port Blair was gevlogen. De gezichtsuitdrukking die deze beste man toen toonde is niet te beschrijven. Hij werd erg nerveus, dirigeerde me te blijven zitten en zocht naar de formulieren met de protecollen voor een situatie zoals deze. Een komisch gezicht. De tweede official, niet geheel achterlijk, had ondertussen mijn paspoort bestudeerd en was erachter gekomen dat ik zijn colega had misleid en vanuit Nepal, in plaats van Mexico, was gekomen. Hij begon hard te lachen en na wat Indische zinnen heen en weer, kreeg ook official 1 een grijs op zijn gezicht. Gelukkig maar. Toen nog wat vragen over mijn fysieke gesteldheid; hoopfdpijn, koorts of misselijkheid? “Nee, nee, nee.” Ik schudde beide mannen -tegen hun protecol in- een hand en wenste ze veel success met hun missie. Toen mocht ik naar balie nummer 2 voor een permit.
Port Blair is niet zo’n heel interessante stad, vandaar dat ik meteen naar de haven ging voor boottickets naar Havelock, een enorm rustig en mooi eiland. Dat kon ik wel gebruiken na steden als Agra, Varanasi en Calcutta. Voor het krijgen van een invulformulier moest ik duwen en trekken maar gelukkig was er uiteindelijk één apparte ticketbalie voor bejaarden, gehandicapten en toeristen.
De bootreis duurde ongeveer 4 uur en ik vermaakte me op het dek, in de zon, turend naar beboste eilanden, mangrovebossen en verlaten stranden met -zich in de zee wassende- olifanten. Een groot bord in de haven, “Welcome to Havelock”, deed me denken aan Koh Chang, het begin van deze reis. 4 maanden geleden is dat al. De tijd vliegt voorbij.
Al gauw vond ik op het eiland mijn plekje in Gold India, dat was een verzameling van bamboe hutten aan het strand tussen de palmbomen. Je verkeerde er constand in levensgevaar vanwege vallende kokosnoten maar die raakten niemand omdat ze -volgens een Indisch gezegde- ogen hebben. (een verklaring Olaf?) Het was er erg gezellig. Ongeveer 15 van de 25 toeristen op het eiland verbleven in Gold India.
Een hoogtepunt op Havelock was de dag vissen met een gekke hongaar, Gargoh en Niv, een komische Israëliër. Gargoh en Niv hadden 2 dagen eerder al een verlaten boot gevonden op het strand en het leek ze een mooi idee om die te kapen en de zee op te gaan, gewapend met vislijnen, haken en een dode kip als aas. Enthousiast kwamen ze vragen of ik mee wilden en uiteraard leek me dat een prima plan.
Op het strand aangekomen kwamen we er achter dat de boot toch niet zo verlaten was als verwacht en dat 2 lokale vissers op het punt stonden te hem de zee in te duwen. Toen ze onze (plastic) fles met rum zagen waren we meer dan welkom om ze te vergezellen. We konden geen woord met ze communiceren maar na een paar flinke vissen en een halve fles rum was het erg gezellig aan boord van de kleine roeiboot. Toen Gargoh vast kwam te zitten met zijn haak aan het koraal, dook hij -niet wetend dat we minstens 10 extra haken mee hadden genomen- prompt het water in om de haak, op minstens vier meter diepte, los te maken. De lokale vissers lagen, net als Niv en ik, krom van het lachen en vanzelfsprekend moesten we daarna een heel stuk varen omdat Gargoh alle vissen had weggejaagd. De tweede duik staat op mijn naam omdat ik, tijdens het legen van mijn blaas, mijn evenwicht verloor. Na nog 2 uur vissen en een mooie zonsondergang zijn we weer naar het strand gegaan en heb ik de vissen schoongemaakt (een lekker klusje) voor we ze boven het kampvuur konden roosteren. Starend in het vuur en naar onze vissen voelde ik me een Robbinson. Ik hoopt dat Robinson Crusoe ook genoeg rum bij zich had.
De rest van de dagen op Havelock bestonden uit; mooie gesprekken, duiken, struinen over het strand, snorkelen, boeken lezen, lang slapen, schaken en lekker eten. Niet verkeerd dus. Uiteindelijk heb ik, voordat ik terug ging naar Port Blair, ook nog 2 nachten op Neil Island geslapen. Dat was helemaal verlaten. Ik was 1 van de 6 toeristen op het eiland. Mangobomen stonden voor mijn hut en die verzorgden dan ook mijn frisse ontbijt.
De dag van voor vertrek regende het zo hard als ik nog nooit had gezien. Het was duidelijk, de monsoon was begonnen. Ik had nog net de laatste 2 weken zon meegepikt, gelukkige ik. Verdrietig verliet ik de prachtige eilanden, uitkijkend naar het moment dat ik weer zo’n bijzondere plek zou vinden. Wanneer zou dat zijn? Zou ik nog wel van een Nederlands of Frans strand kunnen genieten? Ik weet het niet.
Aangekomen in Calcutta moest ik even wennen aan het chaotische stadleven maar ik kan trots zeggen dat ik er nu weer prima in meedraai. Gister heb ik met Gargoh een botanische tuin bezocht. Hij vertrok ’s avonds naar het noorden en ik blijf hier om plannen te maken voor de komende tijd. Ik heb een mooi idee in mijn hoofd, later meer.

Bamboehutten tussen de palmbomen

Door het bos naar Beach # 7

Dichte jungle, pardarijsstrand, blauwe zee.. (Beach # 7)

Een kokosnoot als lunch

Fietsen op Neil Island. Ik kan het nog!
Klik HIER voor alle foto’s